“Ik zie mensen ongemakkelijk grimassen. Mijn collega kijkt me met een vernietigende blik aan en gebaart dat ik mijn waffel moet houden.”
Ambulanceverpleegkundige Jorre vertelt over zijn, soms ietwat bijzondere, avonturen op de ambulance.
Onze ochtenddienst is net begonnen en ik ben niet helemaal uitgeslapen. Gelukkig is het eerste klusje zonder veel drama.
Een gezellige oude dame voelt zich benauwd en de huisarts vraagt of we mevrouw vanuit het verzorgingshuis naar de kliniek willen brengen voor onderzoek. Met wat extra zuurstof op haar mopsneus babbelt de lieverd al snel weer honderduit en kunnen we op pad.
Als we beneden in de hal van het tehuis de lift uitkomen met de brancard staat daar tot onze verbazing een groep van zeker vijftig mensen. Samen vormen ze een erehaag tot aan de uitgang.
Ik ben nog steeds niet helemaal wakker, maar wel in een jolige bui. ‘Dát hadden jullie niet hoeven doen hoor’, grap ik vrolijk, ‘Gaan jullie ook een liedje zingen?’ Onze patiënt heeft hetzelfde gevoel voor humor en begint als koningin Juliana giechelend om zich heen te wuiven.
Ik zie mensen ongemakkelijk grimassen en iemand mompelt, ‘ow, wat erg’. Mijn collega kijkt me ondertussen aan met een vernietigende blik en lijkt te gebaren dat ik mijn waffel moet houden. Door het raam zie ik buiten achter onze ambulance een zwarte stationwagen geparkeerd staan. In mijn schildpadbrein begint tergend langzaam een kwartje te vallen.
Op hetzelfde moment gaat achter ons een tweede lift open en zes stemmige heren treden naar buiten met een eikenhouten kist.
